Latest news »


- Coming up soon
een interview uit de Nieuwe Revu

Marscha en Theodor Holman over de oorlog
“Alles bleek achteraf een leugen”»


De ouders van schrijver Theodor Holman leden aan een kampsyndroom. Theodor heeft daar prachtige verhalen over geschreven. Maar hoe kijkt zijn inmiddels volwassen dochter Marscha tegen haar Indische familieverleden aan? Drie generaties en de oorlog.

Theodor Holman is columnist en schrijver van klassiek geworden Indisch proza als ‘Oom Noes', Hoe ik mijn moeder vermoordde en Familiefeest Dit jaar verscheen Tjon , opnieuw een verhaal over een door de oorlog getekend gezin. We ontmoeten elkaar in Theodors huis in Amsterdam-Zuid. Hetzelfde huis waar zijn ouders na hun repatriering zijn gaan wonen en waarin Theodor zelf is opgegroeid.

Theodor: ‘De oorlog was bij ons thuis vrijwel dagelijks aanwezig, tot op de dag van vandaag, zou ik bijna zeggen, ook al zijn mijn ouders er zelf niet meer.'


Marscha Holman is Theodors dochter. Ze is 24, studeert geschiedenis en woont boven haar vader. Hoewel, de timing kon niet beter zijn, want uitgerekend vandaag zal zij voorgoed het huis verlaten. Ze gaat samenwonen. Theodor verliet zelf op jongere leeftijd het ouderlijk huis en voelde zich toen naar eigen zeggen schuldig: ‘Ik laat mijn ouders alleen achter, dacht ik, dat wordt een ramp. Het bleek na verloop van tijd mee te vallen.'
Ook Marscha is er niet helemaal gerust op: ‘Ik durfde het niet te zeggen, bang dat je teleurgesteld zou zijn'. Maar Theodor reageert nuchter: ‘Je geeft alleen de mooiste kamer van Amsterdam op'.

 

Marscha Holman is Theodors dochter. Ze is 24, studeert geschiedenis en woont boven haar vader. Hoewel, de timing kon niet beter zijn, want uitgerekend vandaag zal zij voorgoed het huis verlaten. Ze gaat samenwonen. Theodor verliet zelf op jongere leeftijd het ouderlijk huis en voelde zich toen naar eigen zeggen schuldig: ‘Ik laat mijn ouders alleen achter, dacht ik, dat wordt een ramp. Het bleek na verloop van tijd mee te vallen.'
Ook Marscha is er niet helemaal gerust op: ‘Ik durfde het niet te zeggen, bang dat je teleurgesteld zou zijn'. Maar Theodor reageert nuchter: ‘Je geeft alleen de mooiste kamer van Amsterdam op'.

Muizen»

 

Marscha was vier jaar oud toen haar Indische opa overleed.
Marscha: ‘Mijn opa leerde me hoe ik voorwerpen met mijn tenen van de grond kon oppakken. Wijze levenslessen herinner ik me niet, behalve dat ik nog steeds dingen met mijn tenen op kan pakken. De vaak angstaanjagende kampverhalen van mijn oma vond ik als kind normaal. Ik vertelde ze door aan mijn vriendinnetjes op de lagere school. Tot mijn vader en moeder door bezorgde ouders werden opgebeld.'

Theodor: ‘Het leed dat mijn ouders met zich meedroegen, konden ze niet met anderen delen. De woorden waren te klein om uit te drukken wat ze daadwerkelijk voelden. Het gebeurde daarom wel dat ze zaken vier, vijf keer opnieuw vertelden. Over de honger bijvoorbeeld. We moesten muizen eten, vertelde mijn moeder…'

Marscha: ‘…Dat verhaal heeft veel indruk op me gemaakt…'

Theodor: ‘…Op mij na verloop van tijd niet meer…'

Marscha: ‘…Vooral dat ze moesten vechten om wie de muizen mocht…'

Theodor: ‘…Dat is natuurlijk erg, maar nog dekte dat de lading niet.'

Marscha: ‘Zelfspot is een veel voorkomende karaktertrek in de familie, ook bij mijn oma. Maar ik vond het opvallend dat mijn oma over het oorlogsleed zelf moeilijk kon praten, laat staan lachen. Soms kon ze opeens in tranen zijn. Ze had behoefte aan erkenning dat ze zich dapper had geweerd. Een keer heeft ze tegen mij gezegd: “Ik denk dat jij het kamp ook zou overleven”. Dat ontroerde me, want ik besefte dat het een groot compliment was – ook al kan ik me niet voorstellen dat ik het kamp inderdaad zou overleven.'

Theodor: ‘Mijn moeder heeft in het kamp ontdekt dat ze moedig was, dat ze een eigen persoonlijkheid had, initiatief durfde nemen. Haar emancipatie heeft zich op zijn minst versneld in het kamp.'

Geen bevrijding»

 

Marscha: ‘Mijn oma en opa hadden ieder een eigen oorlogstrauma. Mijn vader was voorzichtig met zijn ouders, voelde zich verantwoordelijk voor hun verdriet, wilde voor ze zorgen. Zelf wilde ik mijn oma ook graag troosten. Ik had alleen het gevoel dat ik dat ook daadwerkelijk kon! Ik was zo haar lieverdje. Als er iemand onvoorwaardelijk van mij hield dan was het mijn oma wel. Ik kon niets fout doen. Alleen als ik een afspraak afzegde, kon ik me wel schuldig voelen, want ze had al zoveel meegemaakt.'

‘De datum 15 augustus zegt mij niet zo veel. Voor mijn oma betekende het einde van de oorlog in eerste instantie het begin van een periode van nog veel grotere onzekerheid. Ze heeft me meermalen verteld hoe ze de bersiaptijd als de meest beangstigende periode heeft ervaren. Dat de Japanners, enkele dagen geleden nog haar ergste vijanden, haar nu tegen de Indonesiers moesten beschermen. 15 augustus betekende geen euforisch moment. Je verwacht dat betere tijden aanbreken, maar de ellende gaat door. Ik heb niet meegekregen dat er na de capitulatie blije momenten waren. Zelfs niet na terugkeer in Nederland, want ook toen waren er veel problemen en zorgen.'

Theodor: ‘Een generatie die de oorlog heeft meegemaakt moet alles herzien en opnieuw leren leven. Mijn laatste boek Tjon is fictie. Tegen de hoofdpersoon Tjon wordt voortdurend gelogen en hij moet de wereld interpreteren aan de hand van al die leugens. Hij kan zich alleen verdedigen door zelf ook te liegen. Wie de oorlog heeft meegemaakt, komt alleen maar leugens tegen. Alles, elk begrip, bleek achteraf een leugen te zijn: vrijheid, solidariteit, vaderland… Alles is een leugen.'

‘Mijn moeder heeft haar leven na de oorlog opnieuw zin weten te geven. Mijn vader had daar meer moeite mee. Hij had een zogenoemd kamphart en was fysiek ziek. Hij was een vermoedelijk van zichzelf al zwaarmoedig ingestelde man, die teleurgesteld uit de oorlog was gekomen: teleurgesteld in de politiek, in Nederland, in de mensheid en in het geloof. Hij had geen houvast meer. Met zijn studie Indologie kon hij niets beginnen in Nederland. Zo is hij, terwijl hij al een gezin had, op zijn veertigste een nieuwe studie begonnen. Vervolgens heeft hij overigens wel opnieuw carriere gemaakt.'


‘Mijn vader bleef eraan vasthouden dat er door de Nederlanders “iets grootsch” was verricht in Indonesie. Ik kan dat wel begrijpen. Hoe verklaar je dat de Nederlanders het 350 jaar hebben uitgehouden in Indonesie? Dan moeten we toch iets goed gedaan hebben? Maar mijn vader besefte tegelijkertijd dat er nieuwe tijden waren aangebroken. In ons huis was Indonesie een voortdurend onderwerp van discussie en veranderende standpunten. Mijn vader was er ten diepste van overtuigd dat Indonesie zich beter had kunnen ontwikkelen als het land Nederlands was gebleven. Nu zag hij het verloederen, de plantages, de infrastructuur, en dat deed hem pijn.'

Marscha en Theodor zijn nog nooit in Indonesie geweest.
Marscha: ‘Als het hard regende, moest mijn oma aan Indie denken. Daarom wil ik graag naar Indonesie. In de hoop er een bepaalde sfeer aan te treffen.'

Theodor: ‘Ik wilde nooit naar Indonesie, en mijn moeder ook niet. Waarom, weet ik niet. Zelf ben ik niet zo'n roots-zoeker. En toch, als jij gaat, ga ik mee. Maar dan wil ik in luxe hotels slapen. Als koloniaal. Met wit pak en tropenhelm.'

Marscha: ‘Jij voelt je opgelaten als je bediend wordt!'

Zinvol»

 

Marscha gaat uit huis. Over kinderen die zich verantwoordelijk voelen voor hun ouders gesproken: wie gaat er met haar vertrek nu eigenlijk op zichzelf wonen?
Marscha: ‘Ik moet wel opletten dat mijn vader genoeg te drinken in huis heeft. En als dat niet zo is, moet ik het ook nog gaan halen. Maar gelukkig betaalt Theodor. Mijn vader is een rare man, maar ik ben eraan gewend. Er bestaat nogal een verschil tussen de vader aan wie je veel hebt en de zoon voor wie je moet zorgen.'

Theodor: ‘Jij zegt wel 's dat je mij meer opvoedt, dan ik jou ooit heb gedaan.'


Marscha: ‘Mijn vader smeerde 's morgens nooit brood voor me en 's avonds belde hij niet wanneer ik thuis kwam. Theodor veroordeelde niet. Wel kon ik het aan hem merken als hij bezorgd was. Ik krijg van hem zelden kritiek, maar daardoor heb ik het gevoel dat ik juist extra mijn best moet doen. Zijn belangrijkste levensles is zinvol leven. Dat je er zelf van bewust moet zijn hoe je lekker kunt leven.'

Theodor: ‘In het Nederlands kun je het woord zinvol op twee manieren uitleggen. Je moet vooral zelf zin hebben in het leven dat je leidt. Voor mezelf ben ik soms bezorgd dat mijn werk zinloos blijkt te zijn, dat de creativiteit stokt, dat ik overal ontslagen wordt, dat ik gedwongen ben iets anders te doen. Mijn vader was als assistent-resident volmaakt gelukkig tot de oorlog kwam. Het geluk is hem toen afgenomen. Hoewel vroeger meer dan nu, ben ik bang dat mij zoiets overkomt.'


Marscha: ‘Theodor heeft me vaak voorgehouden houvast te zoeken in het creatieve. Want dan zul je altijd zelf kunnen bepalen wat je doet en zul je altijd werk hebben. Ironisch eigenlijk. Mijn opa was als de dood voor een creatief beroep, dan werd je een losbol. Je moest zorgen dat je een vaste betrekking kreeg en daarmee een pensioen. Theodor zocht juist zekerheid in een creatief beroep.'


Theodor: ‘Mijn vader en ik hadden dus hetzelfde doel: zekerheid.'


Marscha: ‘Ik vond het gezellig bij je.'


Theodor: ‘Ik bij jou.'

© Geert Prins (augustus 2007) moesson.com

 

 

Copyright© www.Theodorholman.nl All rights Reserved